Weblog: Cheers Lexus

Weblog: Cheers Lexus

Ik ben Lexus-fan en niet zo’n beetje ook. Vanaf begin deze eeuw, toen ik voor een Autoweek-verhaal van Louwman in Den Haag een tweedehands LS 400 meekreeg. Blauw, grijs leer, 264 pk. Saai, klompig ding, ook dat, maar ik was heel snel plat voor de onbeschrijflijke rust van die achtcilinder, een van de mooiste motoren ooit gebouwd. Die auto is een monument in de geschiedenis van de topklasse limousines.

Sindsdien reed ik elk nieuw model, meestal enthousiast: de GS, de IS, de LS600h. Mijn fascinatie voor Japans perfectionisme werd geprikkeld door Chester Dawsons boek The Relentless Pursuit over het ontstaan van Toyota’s topmerk, dat ik met rode oren las. Wat een biologerend verslag van de manische ambitie koste wat het kost de beste auto ter wereld neer te zetten. Wat de LS ook werd, al was het maar door zijn gebleken betrouwbaarheid.

Maar dat design.

De worsteling met de eigen identiteit bleek langdurig, hoewel de kleinere modellen gaandeweg iets Europeser voor de dag kwamen. Een enkel authentiek accent durfde Lexus nog net aan, zoals de horloge-achtige combiklok van de eerste IS200. Aan de buitenkant bleven het betrekkelijk grijze compromissen tussen gelikt en Japans degelijk. Je voelde dat dit merk het de per definitie nieuwe doelgroep niet te moeilijk wilde maken. In Europa, waar het onvoldoende aansloeg, stond Lexus voor een prisoner’s dilemma. De premiumkoper wil auto’s met smoel, maar hij gaat pas overstag als er Mercedes, BMW of Audi op staat.

Toen Lexus toch besloot het designavontuur op te zoeken met gekke hoefijzervormige grilles en harde, grillige flanklijnen, waren de resultaten niet meteen overdonderend. De kwaliteit bleef top en de herkenbaarheid nam toe, maar de gezochtheid ook.

Tot de LC500 kwam. Ik reed inmiddels beide varianten – de V8 en de hybride – en bij die auto voel ik een zelden voorkomende opwinding. Het is een iconisch ontwerp dat er door zijn geraffineerde balans tussen rond en hoekig vanuit elke hoek anders uitziet. Van opzij bezien is het een messcherp gestreken supercar, op driekwart een elegante grand tourismo, dik maar niet obees. De LC is een keerpunt in de merkhistorie; Lexus heeft voor het eerst een stijl gevonden die trendkopers over de streep kan trekken. Dit is de eerste Lexus-sportcoupé waarvan ik denk dat dealers er Audi’s en BMW’s op zullen inruilen, en misschien zal zelfs een enkele 911-rijder slappe knieën krijgen. Waarom? Omdat geen merk op de i8 van BMW na zo’n eigenheimer in de showroom heeft. Het is nog een briljante GT ook. Had ik nu anderhalve ton achter de hand, dan bestelde ik hem nog vandaag in de kleurencombi van mijn mijn laatste testauto: donkerblauw metallic, geelbruin interieur. Koude rillingen.

Zolang het lot me tot oppassendheid veroordeelt, blijft de LS400 op de verlanglijst. Zag er in december nog een staan bij Lexus Enschede en die was heel snel weg. Snap ik maar al te goed. Cheers, Lexus.

Ik ben Lexus-fan en niet zo’n beetje ook. Vanaf begin deze eeuw, toen ik voor een Autoweek-verhaal van Louwman in Den Haag een tweedehands LS 400 meekreeg. Blauw, grijs leer, 264 pk. Saai, klompig ding, ook dat, maar ik was heel snel plat voor de onbeschrijflijke rust van die achtcilinder, een van de mooiste motoren ooit gebouwd. Die auto is een monument in de geschiedenis van de topklasse limousines. Sindsdien reed ik elk nieuw model, meestal enthousiast: de GS, de IS, de LS600h. Mijn fascinatie voor Japans perfectionisme werd geprikkeld door Chester Dawsons boek The Relentless Pursuit over het ontstaan van Toyota’s topmerk, dat ik met rode oren las. Wat een biologerend verslag van de …

Lees verder…

Source: autoweek